Modernisering van het concurrentiebeding ter bevordering van mobiliteit

Het kabinet wil het voor werknemers eenvoudiger maken om van baan te wisselen door het concurrentiebeding te moderniseren. Volgens het kabinet belemmert de huidige wetgeving werknemers te veel in hun mobiliteit. Minister Vijlbrief van Sociale Zaken en Werkgelegenheid stelt dat modernisering van het concurrentiebeding bijdraagt aan “meer eerlijk werk”. Veel werknemers durven volgens de minister geen volgende stap in hun loopbaan te zetten, terwijl werkgevers juist dringend behoefte hebben aan nieuw personeel. Het wetsvoorstel is ter advisering naar de Raad van State gestuurd. Het streven is om het voorstel eind 2026 bij de Tweede Kamer in te dienen.

Wat houdt het concurrentiebeding in?

In veel arbeidsovereenkomsten staat een concurrentiebeding. Zo’n beding verbiedt een werknemer om na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst soortgelijke werkzaamheden te verrichten bij een andere werkgever of als zelfstandig ondernemer. Het concurrentiebeding is bedoeld om het bedrijfsdebiet van werkgevers te beschermen, zoals kennis over tarieven, klantgegevens, bestanden en goodwill. Maar in de praktijk gebruiken werkgevers het beding vaak om personeel aan zich te binden in de krappe arbeidsmarkt. Om dat oneigenlijke gebruik tegen te gaan, wil het kabinet dat het beding alleen nog kan worden ingeroepen wanneer het daadwerkelijk dient ter bescherming van het bedrijfsdebiet en niet als drukmiddel.

Concurrentiebeding wordt duidelijk begrensd

Het kabinet wil de duur van het concurrentiebeding beperken tot maximaal een jaar. Vermeldt de werkgever geen duur of een langere periode, dan is het beding ongeldig. Daarnaast moet het beding een duidelijke geografische reikwijdte hebben; ontbreekt die, dan is het beding eveneens ongeldig. Verder moeten werkgevers na inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving ook bij arbeidsovereenkomsten voor onbepaalde tijd motiveren waarom het beding noodzakelijk is. Nu geldt die verplichting alleen voor tijdelijke contracten. Ontbreekt de motivering, dan is het beding ongeldig. Als een werknemer vindt dat de motivering onvoldoende is, dan kan hij de rechter vragen om het beding ongeldig te verklaren.

Vergoeding bij handhaving van het beding

Werkgevers die na inwerkingtreding van de wet een beroep zouden willen doen op het concurrentiebeding, moeten dit uiterlijk een maand voor het einde van het dienstverband schriftelijk aan de werknemer laten weten. Bij een opzegging door de werkgever zou dit uiterlijk op de opzegdatum moeten gebeuren. In andere situaties, zoals ontslag op staande voet of opzegging door de werknemer, zou de werkgever binnen twee weken na dat ontslag of de opzegging een beroep moeten doen op het beding.

Daarnaast regelt het wetsvoorstel dat werkgevers de werknemer voor elke maand waarin zij het concurrentiebeding inroepen een vergoeding zouden moeten betalen van 50 procent van het laatste maandsalaris. Deze vergoeding zou moeten worden betaald vóór het einde van het dienstverband. Bij een geldig ontslag op staande voet zou in principe geen vergoeding verschuldigd zijn, tenzij een rechter zou oordelen dat het ontslag niet ernstig verwijtbaar was. Ook kunnen partijen in een vaststellingsovereenkomst afwijkende afspraken maken over de vergoeding, aldus het voorstel.

Overgangsrecht

Het wetsvoorstel stelt ook overgangsrecht voor, op basis waarvan bestaande concurrentiebedingen die langer dan een jaar duren, automatisch de duur van een jaar zouden moeten krijgen. De regels over het tijdig inroepen en de vergoeding zouden ook voor bestaande bedingen moeten gaan gelden. Is de termijn van het beding al verstreken vóór de inwerkingtreding, dan zouden de oude regels blijven gelden en is geen vergoeding verschuldigd.

Heb je vragen over dit onderwerp of wil je hierover sparren met onze advocaten? Neem dan contact met ons op.